Een bed midden in de kamer. Ik zit op een stoel die rechts in de hoek staat. Je zegt niets, ziet grauw en lijkt nergens op de reageren.
Er heerst hectiek onder de witte jassen die rond het bed heen en weer lopen en aan het bellen zijn. Het gaat om een plek op de OK. Die willen ze direct regelen om jou te kunnen opereren. Een arts die heel rustig op mij overkomt, vraagt me of ik vind dat je buik dikker is dan normaal. Ik kijk naar je, je ligt er verloren bij op het bed. Je overhemd hangt losgescheurd om je lijf, je armen hangen langs het bed en je voeten staan schuin naar twee kanten uit waar tussendoor ik je buik kan zien. Ja, nu zie ik het, je buik is niet dikker, maar lijkt naar beide kanten uitgezakt. De arts kijkt ook naar je buik en begrijpt wat ik wil zeggen. Hij knikt en gaat weer in overleg met de andere artsen.
Eindelijk lijkt er duidelijkheid te komen. Je bed wordt van de remmen gehaald en de artsen vertellen me dat je naar de OK wordt gereden. Of ik nog even afscheid van je wil nemen?
Ik sta naast het bed, pak je hand die koud aanvoelt. Je gezichtsuitdrukking is weg, het is vlak, grauw en er is geen reactie te zien, zelfs geen kleine oogopslag. Ik ben alleen, voel me alleen, je gaat weg en ik kán geen afscheid van je nemen. Misschien ben je al weg en kom je nooit meer terug. Ik zie een lichaam waar het leven eigenlijk al uit is. Gelaten voel ik me, het is me overkomen, iets dat je alleen kent uit verhalen van anderen. Heel kort hoor ik niets, een lichte ruis in m’n oren, en ben ik echt alleen in die kale, steriele ruimte waar apparaten piepen, artsen door elkaar lopen en hectiek is. Het is niet mijn wereld. Mijn wereld staat stil.
