Over tijd – een persoonlijke verkenning
Wat is tijd eigenlijk?
Hoe langer ik erover nadenk, hoe minder ik geneigd ben om tijd te zien als iets dat “bestaat” zoals een stoel of een steen bestaat. Voor mij lijkt tijd meer op vrijheid: je kunt haar voelen, ervaren, soms zelfs verliezen, maar je kunt haar niet vastpakken of aanwijzen. Dat is ook de reden dat ik, hoe boeiend het ook is, moeite heb met natuurkundige boeken over tijd, zoals Het mysterie van de tijd van Carlo Rovelli.
Rovelli beschrijft tijd alsof wij ons erin bevinden, zoals vissen in het water. Een mooie vergelijking, maar voor mij schuurt ze. Ze suggereert dat tijd een soort substantie is, iets objectiefs waar onderzoek naar gedaan kan worden. En juist dat idee vind ik lastig. Niet omdat ik ontken dat we tijd ervaren, maar omdat ik betwijfel of tijd los van die ervaring wel bestaat.

Natuurlijk hebben we klokken. En agenda’s. Die zijn enorm handig. Ze zorgen ervoor dat we tegelijk ergens zijn en afspraken kunnen maken. Maar kloktijd is uiteindelijk een afspraak. Een cultureel hulpmiddel. Vroeger keek men naar de natuur en zei: het is lente. Tegenwoordig zegt de agenda dat de lente op 21 maart begint. Dat maakt ons leven overzichtelijk, maar ook afstandelijker.
Wat mij opvalt, is dat tijd pas voelbaar wordt wanneer er iets gebeurt. Zolang ik momenten kan herkennen als gebeurtenissen, ervaar ik tijd. Maar zodra die gebeurtenissen te dicht op elkaar zitten, lijkt tijd te verdwijnen. Er is dan niets om op terug te kijken, niets om mee te vergelijken.

Dat werd voor mij ineens heel concreet toen ik laatst een oude foto van mezelf vond. Ik was twintig. Als ik die foto vergelijk met wat ik nu in de spiegel zie, is het verschil overduidelijk. Er is iets gebeurd. Tijd heeft zijn werk gedaan. Maar als ik vandaag een foto maak en die morgen vergelijk met mijn spiegelbeeld, zie ik nauwelijks verschil. Toch is er een dag voorbijgegaan. Objectief gezien wel, maar gevoelsmatig nauwelijks.
Blijkbaar ervaren we tijd vooral via verandering.
Die gedachte doet me denken aan Aristoteles, die beweging beschreef als een verplaatsing van het ene punt naar het andere. Op elk afzonderlijk moment gebeurt er eigenlijk niets. Het ‘nu’ staat stil. Beweging – en daarmee tijd – ontstaat pas wanneer we meerdere momenten met elkaar verbinden. Het heden zelf heeft geen duur; het glipt meteen weg.
De Franse filosoof Henri Bergson ging hier nog een stap verder in. Hij maakte onderscheid tussen kloktijd en wat hij “duur” noemde. Kloktijd kun je meten en opdelen in seconden en minuten, maar de duur is hoe tijd van binnenuit wordt beleefd. Die is niet netjes opgedeeld, maar vloeiend. Het verleden blijft daarin aanwezig in het heden, zoals herinneringen meespelen in wie je nu bent.
Dat verklaart ook waarom een drukke, betekenisvolle periode soms voorbijvliegt, terwijl een lege, monotone tijd eindeloos kan aanvoelen. Denk aan iemand die langdurig opgesloten zit: zonder gebeurtenissen verdwijnt het tijdsgevoel. De streepjes op de muur nemen het over van de ervaring.
Ook Kierkegaard helpt mij om dit te begrijpen. Hij spreekt over het “ogenblik”: het punt waar verleden en toekomst elkaar raken. Het heden zelf heeft geen duur, maar is wel de enige plek waar het leven zich afspeelt. Het is er, en het is meteen weer weg. Misschien is dat ook waarom veroudering zo’n vreemd fenomeen is: elke dag ben je jezelf, maar telkens net iets verder verwijderd van wie je was.
Misschien kan tijd alleen achteraf worden begrepen. Niet als iets dat op zichzelf bestaat, maar als het spoor dat verandering achterlaat. In herinneringen, in vergelijkingen, in betekenis. Of zoals Kierkegaard het zo mooi zei: het leven kan alleen achterwaarts worden begrepen, maar het moet voorwaarts worden geleefd.

