De ontboezeming


Alledaags / zondag, mei 5th, 2019

“Jaren later, veel wijzer en natuurlijk ook grijzer, herinner ik mij nog steeds het voorval met mijn buurmeisje”, vertelt Abel zijn vrienden. Ze zitten bij elkaar voor hun vrijdagmiddagborrel, het uitje waar Abel al jaren elke week naar uitkijkt. Nog niet eerder waren ze zo open naar elkaar geweest als vanmiddag. 

Aanleiding

Een paar weken geleden las Alfons een krantenartikeltje voor. Het ging over een herinnering die iemand had aan een gebeurtenis uit zijn jeugd. Zijn hele leven was erdoor beïnvloed, zo stond in het artikel geschreven. Iets heel ernstig, iets heftigs, zo heftig dat hij er nauwelijks met anderen over had durven praten. Ook niet met degene die bij die bewuste gebeurtenis aanwezig was geweest. De man was er altijd vanuit gegaan dat voor die ander het net zo’n traumatische ervaring was geweest als voor hem. Op oudere leeftijd, na een leven waar hij niet graag op terugkeek en het liefst achter zich wilde laten, had hij vaak teruggedacht aan dat moment. Alleen al het verlangen om er over te kunnen praten had hem van binnen verteerd en hem uiteindelijk toe aangezet een brief te schrijven aan de persoon die als geen ander met hem mee kon voelen met wat er toen gebeurd was. Iemand die hem in zijn gevoel kon bevestigen dat het heel traumatisch is geweest en waar je niet zomaar overheen komt. Maar het was te laat, de brief kwam ongeopend retour. Op de enveloppe stond met hanenpoten geschreven: “geadresseerde is overleden”. 

Voor Abel was dit de uitgelezen mogelijkheid om met zijn verhaal naar buiten te komen. Ook hij had iets meegemaakt. Nog maar tien jaar oud en het was zijn leven lang bijgebleven. Niet zo dramatisch misschien als in het artikel dat Alfons had voorgelezen, maar de vraag hield hem wel bezig hoe die ander het destijds had beleefd. 

Hij had zijn vrienden uitgedaagd om ieder voor zich zijn verhaal te doen over een gebeurtenis uit hun jeugd. Het hoefde geen vervelende gebeurtenis te zijn, het mocht ook iets plezierigs zijn. Het moest iets zijn dat ze hadden meegemaakt dat hen altijd was bijgebleven. Vanmiddag was het zijn beurt.

Het verhaal

“Ze trok het bloed onder mijn nagels vandaan”, zo vertelt Abel vol vuur, gevoed door zijn drang eindelijk zijn verhaal kwijt te kunnen. De hele week had hij een raar gevoel in zijn buik gehad. Zenuwen? Alice had hem thuis al vragen gesteld en gedacht dat er iets was wat hij haar zou moeten vertellen. Als volleerd toneelspeler had hij zijn standaard masker opgezet en gedaan of er niets was. En dat er zeker niet iets waar hij haar over zou moeten vertellen. 

Nu, met de vrienden onder elkaar, kwam het gevoel weer boven, ondanks dat hij niet eens precies meer wist waardoor hij toen zo boos was geworden. “En zij was je buurmeisje” vroeg Ruud. “Ja, er stonden twee rijen huizen, een van zes en een van zeven, haaks op elkaar gebouwd. In de hoek waar de twee rijen woningen bij elkaar kwamen was een speelplaats. Het stelde niet veel voor, misschien twintig bij twintig meter met daarop twee losse speelrekken en één dubbel rek. Eronder lagen van die zwarte, rubber tegels waarmee je je val kon breken, mocht je van de rekken vallen. Je kent ze wel van vroeger”. Abel hoefde niet lang na te denken over hoe het er uitzag, de plek waar het destijds gebeurd was stond in zijn geheugen gegrift. Als een foto haalde hij het plaatje naar boven en kon tot in de kleinste details beschrijven hoe het er uitzag. “Maar hoe had zij je nou zo boos gekregen?”, vroeg Dirk, die altijd vragen leek te stellen op een manier waarop alle problemen zouden worden opgelost als je er maar gewoon antwoord op gaf. Het waren alleen altijd de kernvragen die hij stelde, vragen die juist het vraagstuk vormden waarover het moest gaan. Als er eenvoudig een antwoord op was te geven zouden er geen problemen of vraagstukken zijn. 

Reflectie

Stel een jongetje, een jaar of tien, en een meisje van ongeveer dezelfde leeftijd, maken samen ruzie. Iets onbenulligs, eigenlijk iets waar je je niet meer van kunt herinneren wat de aanleiding was. De ruzie loopt uit de hand en het jongetje schopt, tegen een been van het meisje, ter hoogte van haar knie. Daarna gebeurt alleen niet wat hij verwacht had dat er zou moeten gebeuren. Het meisje rent niet weg, gaat niet gillen, niet schelden, niet terugslaan en niet schoppen. Nee, met een dodelijke ernst vraagt ze of hij misschien ook tegen haar andere knie wil schoppen. Het verrast hem zo, dat hij er zelfs door aan het lachen werd gemaakt, even maar.

Het is hem altijd bijgebleven. Perplex was hij, vol woede en in de verwachting dat hij die woede zou kunnen uiten in een gevecht. Maar door haar vraag om nogmaals tegen haar benen te schoppen werd hij opeens met zichzelf geconfronteerd, hij moest nadenken over wie hij was. Wilde hij iemand zijn die meisjes schopt. Zij had iets gedaan dat aanleiding  had gegeven voor zijn frustratie en zijn boosheid, waaraan hij daadwerkelijk uiting had willen geven door de schop te geven. Door wat ze nu deed, nadat hij haar de schop had gegeven, gebeurde er iets merkwaardigs. In plaats van een steeds hoger oplopende ruzie, met steeds meer op elkaar afreagerende emotionele reacties, werd hij teruggehaald uit deze emotie en moest terug naar de werkelijkheid. Nog erger, hij moest nadenken over zijn volgende daad. Nadenken of hij haar nog een tweede trap zou geven, ondanks dat ze zelf niet terugvocht. Hij voelde zich stoer als jongetje van tien. Hij had wilde haren en droeg stoere spijkerkleding met stevige schoenen eronder met dikke rubberen zolen en verharde neuzen. Maar meisjes schoppen hoorde daar niet bij. Ja eentje, om aan te geven dat er niet met hem gesold kon worden. Nu moest hij zelfs die schop meenemen in de vraag die hij zichzelf moest stellen: “Wilde hij iemand zijn die anderen schopte om iets duidelijk te maken? 

Share Startlingblog

Geef een reactie