We zitten aan een tafel voor het raam vanwaar we uitkijken op de Euromast. Mijn vader zit tegenover me en draagt een wit poloshirt met grijze strepen. Het shirt zit een beetje scheef getrokken om zijn lichaam waardoor de plooien in zijn oude huid extra zichtbaar worden. Op zijn hoofd springt zijn zilvergrijze haar alle kanten op en heeft blijkbaar vanochtend geen kam gezien.
“Zie je dat de Euromast verlicht is, mooi groen licht?”, vraag ik hem met luide stem. Omdat hij zeer slechthorend is kijk ik hem recht aan zodat hij ziet dat ik wat tegen hem zeg. Hij kijkt verwondert op en buigt zich iets naar voren om beter uit het raam te kunnen kijken. Als hij zich weer naar mij toewendt vraagt hij: “ken jij het hier? Mompelend zakt hij weer terug in zijn stoel. Ik versta hem nauwelijks maar begrijp dat hij zegt dat hij het hier niet kent en dat hij hier nog nooit geweest is. Aarzelend vraag ik hem: “Weet je nog dat je in Rotterdam gewerkt hebt, pa? Hier vlakbij.” Mijn vader kijkt me met grote ogen aan en vertelt dat er een stuk is weggeslagen uit z’n hoofd. “Ik weet niet waar ik moet beginnen als ik moet nadenken” hoor ik hem binnensmonds zeggen, meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Vierentachtig en in het ziekenhuis opgenomen vanwege hartproblemen. Vier weken geleden is hij met spoed naar het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam gereden. Mijn vader is chronisch hartpatiënt en heeft jaren geleden een interne defibrillator ingebracht gekregen. Bij hartritmestoornis kan de defibrilator het ritme weer reguleren. Een in het lichaam ingebracht apparaat reanimeert automatisch, zonder een keuze of afweging meer te hoeven maken.
Elf maal is de defibrillator bij mijn vader afgegaan. Een wonder dat hij dit heeft kunnen doorstaan en niet buiten bewustzijn is geraakt, zelfs goed aanspreekbaar is gebleven. Geheel volgens protocol werd hem, zodra hij op de IC werd ogenomen, daarom gevraagd of hij gereanimeerd wilde worden indien dit nodig was. Uit angst om nog een ’klap’ te krijgen, heeft hij toen gekozen om dit niet meer te willen.
Zijn kraalogen kijken mij vragend aan. Hij is ernstig verward mede door de chaotische berichten over verpleeghuisopname. Zijn slechte mobiliteit en diverse, wisselende neurologische verschijnselen, zorgen dat hij volledig hulpbehoevend is geworden. Na de opname in het ziekenhuis is hij bovendien in korte tijd geestelijk sterk achteruit gegaan. Een diagnose hebben ze niet.
Even later vraag ik hem of hij weet waar hij is. “Moet jij dat ook al weten?” antwoord hij een beetje geïrriteerd. “En waarom denk je dat ze dat vragen pa?” “Nou, omdat ze denken dat ik gek ben”, stelt hij voor zichzelf vast. Het is geen eenvoudig verhaal om uit te maken of iemand gek is. Mijn vader laat een sterk wisselend beeld zien, het ene moment sterk verward, het volgende weer helder. Een man van vierentachtig noemen ze dan al snel dement. Toch rijst de vraag wat de oorzaak van deze ’gekte’ is, want niet de ziekte zelf wordt ermee benoemd, maar slechts het verschijnsel.
Ik kijk naar mijn vader. In zichzelf gekeerd zit hij tegenover mij aan de tafel. Zijn handen rustend in zijn schoot en niets weten te zeggen. Hij wil ook niet praten omdat het geen zin heeft om het erover te hebben, zo vertelt hij me.
De zuster is geroepen en komt met de draaischijf waarmee ze m’n vader weer in bed zullen leggen. Ze wacht nog op een collega die haar daarbij moet helpen. Angstig kijkt mijn vader naar het apparaat. Hij vindt het verschrikkelijk om erop te moeten staan. Dat heeft hij mij eerder al verteld. Ik spreek hem nog moed in en zeg: “Maar even niet aan denken pa, gewoon doen. Het kan niet fout gaan.” Een paar minuten later grijpt hij kordaat met beide handen naar de stang die hij vast moet houden. De zuster en broeder die hem daarbij helpen, draaien resoluut de schijf een kwartslag en m’n vader kan op bed gaan zitten.
Oud worden, het is lastig, maar oud zijn is moeilijk. Niet alleen je lichaam laat het stukje bij beetje afweten, ook je brein waar je je lichaam mee moet aansturen begeeft het. En zo wordt je een kluizenaar in je eigen lichaam.



